De gevreesde bijzondere verrichtingen rijexamen

Het minst geliefde onderdeel bij cursisten

Ga je na een periode van motorlessen examen doen, dan is het tijd voor het onderdeel wat de meeste cursisten vrezen. De bijzondere verrichtingen motor zijn voor het CBR een heel belangrijk onderdeel van het motor rij examen. Op dit moment wordt namelijk getoetst of jij echt de motor tot in de details beheerst en onder controle hebt. Dit zijn de zaken die het motorrijden zo anders maken vergeleken met auto rijden. Het gaat over de beheersing van je motor in het verkeer, in de file, in de stad en overal waar je maar komt. We zullen de bijzondere verrichtingen die motor rijden zo lastig maken doornemen.

Hieronder vindt je een overzicht van 11 onderdelen voor de bijzondere verrichtingen motor rijexamen ook wel bekend als voertuigbeheersing (AVB)

Onderdeel 1: Het lopen met je motor

Het klinkt heel makkelijk, maar door het gewicht van een motor valt dit nog behoorlijk tegen. Je parkeert jouw motor in een parkeervak terwijl je loopt. De motor wordt achteruit geparkeerd. Je moet de motor hierbij in balans houden. Het correcte gebruik van je motorstandaard wordt hierbij gecontroleerd.

Onderdeel 2: De langzame slalom

Je maakt met lopende motor een slalom tussen paaltjes door. Er wordt gelet op jouw balans tijdens deze slalom. Het gaat er in de praktijk om dat jij in staat bent om met je motor obstakels te vermijden. Ook jouw wendbaarheid in het verkeer kan de examinator hierbij aflezen.

Onderdeel 3: Uit een parkeervak wegrijden

Vanuit stilstand maak je een gecontroleerde haakse bocht naar links of naar rechts. Het is van het grootste belang dat je binnen de rijbaan blijft bij dit gedeelte. Heb je de bocht gemaakt dan rijd je nog een paar meter door. Denk aan de stand van je voeten bij stilstand; één voet moet aan de grond zijn.

Onderdeel 4: De denkbeeldige acht

Hierbij kijkt de examinator of jij je draaicirkel wel klein genoeg kan houden. Vanuit stilstand rijd je een 8, waarbij wordt gelet op het juist afschuinen van de bochten. Je snelheid moet je niet te hoog maken tijdens de denkbeeldige acht. Denk aan je bochtstraal wanneer je deze oefening doet.

Onderdeel 5: Het stapvoets rechtdoor rijden

Over een rechte lijn van ongeveer 20 meter rijd je stapvoets rechtdoor. Er wordt gelet op jouw balans, je snelheid en de juiste bediening van je motor. Dit is een oefening die je veel in verkeersgebied met veel voetgangers in de praktijk zal moeten brengen. Voor het punt wat de examinator aangeeft moet jouw motor tot stilstand zijn gebracht.

Onderdeel 6: De halve draai linksom (of rechtsom)

Om te kijken of je een correcte U-turn kan maken in het verkeer komt de halve draai altijd terug tijdens het examen. Je maakt de halve draai tussen een aantal pionnen in. Je hebt daarbij een stuk van 6 meter als ruimte om de bocht te maken. Dit komt ongeveer overeen met de breedte van een normale weg in een woonwijk. Ook hier houdt de examinator het afschuinen van de bochten goed in de gaten.

Onderdeel 7: De uitwijkoefening

Als er één oefening is die je later vaak in de praktijk zal moeten brengen is het wel de uitwijkoefening. Er wordt een obstakel geplaatst, vaak in de vorm van een pion, wat jij in een gelijkmatige bocht moet ontwijken. Met 50 km per uur kom je aangereden, en zonder te remmen moet jij het obstakel kunnen ontwijken. Na afloop passeer je een pion aan de rechterkant om de manoeuvre af te werken.

Onderdeel 8: De slalom

Bij de slalom rijd je met een wat hogere snelheid op de pionnen op de weg af. Je maakt een mooie slalom in een vloeiende beweging en met een gelijkmatige snelheid van minimaal 30 kilometer per uur. Het sturen doe je bij de slalom vanuit je heupen.

Onderdeel 9: De vertragingsoefening

Vanuit stilstand trek je op naar een hogere snelheid. Je vervolgt dit met een vertraging en een slalom. Dit is een manoeuvre die je in de drukke binnenstad en in een woonwijk nogal eens nodig zal hebben. Je rijdt op een stilstaand of bewegend object af in de praktijk en wordt geacht dat op een nette manier te omzeilen. Tijdens je examen gebruik je uiteraard pionnen.

Onderdeel 10: De noodstop

Een manoeuvre die je vooral in de bebouwde kom nogal eens in de praktijk moet brengen. Je komt met 50 km per uur aangereden, en bij een poortje van twee pionnen maak je een noodstop door het gas dicht te draaien, te remmen en gelijk te ontkoppelen. Je moet uiteraard zo snel mogelijk stil staan en daarbij mag je niet de controle over je motor verliezen.

Onderdeel 11: De precisiestop

De laatste van de serie bijzondere verrichtingen op de motor is de precisiestop. De examinator bepaalt hoeveel meter jij mag doen over een stop. Doorgaans wordt er voor een afstand van 17 meter gekozen. Je moet gelijkmatig remmen en bij het tweede poortje op de weg komt je motor helemaal tot stilstand.